‘Vijf dagen per week mountainbiken, goed voor de bovenbenen’, heeft de expeditieleider me op het hart gedrukt. Maar waar haalde ik een mountainbike vandaan zonder mijn schamele spaarcentjes aan te hoeven breken? Gelukkig bevond zich in mijn sportieve familie een oom die mij zijn bike wel drie maanden wilde lenen ( waarvoor duizendmaal dank!).
Mijn oom had me al gewaarschuwd dat de derailleur niet optimaal functioneerde en dat bleek te kloppen. Geen probleem, de fietsenmaker zette ‘m voor mij in de zwaarste versnelling. Zolang ik niet te veelschakelde was er niets aan de hand. En ja, bij het optrekken trapte het wel een beetje zwaar maar dat was alleen maar goed voor de bovenbenen. In mijn wielerbroekje en met helm en bijpassende zonnebril zag het plaatje er best professioneel uit, vond ik zelf.
Binnenkort heb ik een verplichte trainingsdag in de Drunense duinen waarbij we onder andere 30 kilometer gaan mountainbiken. Easy peasy dacht ik zo. Totdat ik iets las over ‘single track’. Geen idee wat dat betekent dus maar even googelen: ‘De term singletrack wordt gebruikt om een bepaald type mountainbike-pad te beschrijven. De essentie van een singletrack is dat deze smal is en vaak slingerend wegloopt. Veel boomstronken en -wortels, rotsen en scherpe krappe bochten tussen bomen door maken een singletrack vaak technisch moeilijk.’
Ehhhh. Slik.
Even oefenen maar. Een paar kilometer van mijn huis blijkt zich zo’n singletrack te bevinden, dus vol goede moed rijden mijn gele vriend en ik die kant op. Ter plaatse blijkt ‘smal’ wel heel smal te zijn. Het pad is hooguit een halve liniaal breed. Na tien meter door struikgewas daalt het pad ineens steil naar beneden. Automatisch knijp ik in de handremmen, beide. Ik ontwijk net een laaghangende tak als er ineens uit het niets een haarscherpe bocht naar links opduikt. Ik knijp nog harder in mijn remmen en dan gebeurt het. Als in slow motion zie ik de fiets abrupt tot stilstand komen, mezelf over het stuur vliegen en met een onelegante zwiep in het struikgewas belanden. Scheld, tier, au, brandnetels, bloed.
Ik krabbel overeind en spring snel weer op de fiets, voor er een professionele biker aankomt die me hier zo aantreft. We negeren de brandneteljeuk en gaan gewoon weer verder. Dan doemt er een hoge heuvel op en het pad ligt vol mul zand. Na nog geen vier meter sta ik al stil en moet ik noodgedwongen de fiets en mijzelf omhoog duwen. Schakelen zou fijn zijn. Wat volgt is een helse rit met haarscherpe bochten, stenen, boomstronken, takken in m'n gezicht, onmogelijke klimmetjes (dus lopen) en een paar bijna boombotsingen. Ik vind het mooi geweest. Na nog geen vier kilometer singletrack fiets ik moedeloos over een geasfalteerd fietspad (hoera) naar huis. Over exact een week moet ik dit dertig kilometer kunnen. Hoe dan??
Geen opmerkingen:
Een reactie posten